Historische Vereniging Leerdam Foto van de Maand Foto vd Maand Fotobank Contact Lid Worden

IETS OVER DE GESCHIEDENIS VAN DE HOUTZAGERIJ, DE N.V. HOUTHANDEL VOORHEEN VARSSEVELD EN CO.

 

 

 

Aanlooppogingen

Een poging om in 1767 een houtzagerij in Leerdam te stichten leek heel gunstig, omdat nergens in de omgeving zoiets bestond. De dichtst bijzijnde houtzaagmolens vond je in Zaltbommel en in Woudrichem.

Adrianus van Beek, schepen en later burgemeester van Leerdam, maakte een goede kans. Afzet van gezaagd hout was er voldoende.Er waren heel wat watermolens, die ieder jaar gerepareerd moesten worden. Tal van huizen waren nog van hout en bij de boeren werd heel wat hout gebruikt bij de voorjaarsreparatie, wanneer de winterstromen huis hadden gehouden.

 

Waar moest zo’n houtzaagmolen geplaatst worden? In de stad was onmogelijk door het windrecht van de korenmolen. Aan de westkant van de stad waren de watermolens met hun rechten. Aan de oostkant lag de molen aan de luwzijde van de stad dank zij onze heersende zuidwesten wind.

Van Beek vond een plaats langs de Horndijk, maar niet op stadsgrond. Een geschikte plaats was binnen- en buitendijks een perceel genaamd "De Kruiswerf"(1), maar deze grond was eigendom van de prins van Oranje. Toch wist Van Beek na enig overleg met de rentmeester van de Domeinen voor deze rietplek, want dat was het in die tijd, toestemming te krijgen een wind-zaagmolen te mogen plaatsen op de genoemde 8 mergen land. Aan pacht betaalde hij 15 gulden per jaar, waarbij het windrecht inbegrepen was. Wel moest hij de pachter van het land, Jacob de Griend, uitkopen en deze moest afstand doen van zijn recht op de pacht. Van Beek kreeg het recht van erfpacht voor 13 jaar tot het jaar 1780.

Bovendien mocht Van Beek een gracht graven uit de Stadsvaart, die dwars door de Steenwaard liep, naar de Linge. Dat betekende een gemakkelijke aanvoer van de te zagen balken en een vlotte afvoer van het gezaagde hout per schip naar veel plaatsen langs de Linge. Hij mocht de gracht tot op 2 roeden van de buitenkant van de dijk graven. Aan de binnenkant mocht hij geen gracht graven.

Verder kreeg hij toestemming bij de molen, die volgens de kaart aan de buitenkant van de dijk stond, een huis te plaatsen en loodsen voor het hout. Alleen moest hij daarbij voldoende ruimte laten om aarde te halen uit de binnendijkse gelegen gronden om in geval van nood de dijk te kunnen versterken. Dit laatste was wel nodig, omdat de molen zou komen te staan vlak bij een in 1741 ontstane wiel. Daardoor waren deze gronden tot een rietplek geworden.

Blijkbaar is Sadrianus van Beek spoedig na de realisering van zijn plannen overleden en heeft Jan de Bie uit Asperen de molen voor 35 jaar overgenomen. (2)

In 1778 neemt de smid Jacobus IJzerman de molen echter over. Wat moest een smid nu met een houtzaagmolen? Hij zag geen heil in de molen, maar wel in al het ijzerwerk, dat erin was. Daarom werd de molen gesloopt en het daarin aanwezige ijzerwerk voor een behoorlijke som verkocht. IJzerman had er een goede winst aan. De goed bedoelde pogingen om tot een houtzagerij te komen, waren zo op een mislukking uitgelopen.

 

De naam Varsseveld

De familie Varsseveld was afkomstig uit Acquoy en stond bekend als een geslacht van timmerlieden en molenmakers, die ook in het graafschap Leerdam werkten. Zo vonden we de naam van Frederik van Varsseveld als molenmaker in 1778. Hij verstrekte een prijsopgave voor het achterstallige onderhoud aan de twaalf watermolens, die Leerdam omringden. De achterstand was ontstaan, omdat de gebroeders Eckhardt in 1772 met een nieuw soort scheprad op de markt gekomen waren, maar dat plan werd na veel onderzoek verworpen.

Omdat in Leerdam veel onderhoudswerk was aan de molens, vestigden Frederik van Varsseveld en zijn vrouw Anna Geertrui Schalij zich in 1782 in Leerdam. Het echtpaar had geen zoons en na de door van Frederik van Varsseveld in 1824 werd het bedrijf voortgezet door de familie van de vrouw onder de naam: Firma van Varsseveld en C. Schalij Czn. Het blijft een familiebedrijf ook al veranderde de naam. De eigenaars werden C.J. Schalij en W. Grijns. Deze Schalij diende in 1854 een aanvrage in voor het plaatsen van een stoomhoutzagerij, wat op 30 mei 1854 werd toegestaan.

Uit de advertentie van 12 augustus 1854 blijkt, dat deze firma is overgedragen aan zijn zonen: Pieter Gerrit Schalij en Gerrit Cornelis Schalij, terwijl ook de heer Cornelis Dirk Grijns in de zaak blijkt opgenomen. Men handelt dan verder onder de naam: "Firma van Varsseveld en compagnie".

In 1871 wordt de naam omgezet in: Fa. N.V. Houthandel v/h Varsseveld en Co. Als in 1881 de heer J.A. Burgers de leiding van het bedrijf overneemt komt de zaak langzaam tot bloei. Tot de opheffing van het bedrijf blijft de naam Burgers aan het bedrijf verbonden. Het jubileum van de heer J.A. Burgers is uitvoerig door van Gent beschreven.

 

Nassause Domeinraad 5688

Idem 571

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 4 nr. 4