Inleiding Van de vele watermolens, die vroeger het stadje Leerdam omringden en die voornamelijk aan de westelijke en noordelijke zijde stonden, is er nog slechts één, die sinds korte tijd als gevolg van restauratie weer in een ongeschonden staat, het landschap verfraait.Wij doelen hier op de voormolen van de vroegere polder Bruinsdel en Hoog-Leerbroek, die thans de naam "Ter Leede" draagt. De achtermolen van die polder aan de westelijke zijde van het Recht van ter Leede is in 1987 nog slechts, wat het onderste deel aangaat, aanwezig. Aan de andere kant van het Recht van ter Leede sneuvelden twee achtermolens van de vroegere polders Hoogeind, Loosdorp en de Meent. Er waren echter zo dicht bij Leerdam nog meer watermolens. Van deze twee achtermolens is er één verdwenen, maar de nader is wat de romp betreft nog (in 1987) aanwezig. Aankoop
Over de laatste molen zullen we het hier in hoofdzaak hebben. Toen het gemaal van de polders Oud- en Nieuw Schaik en Kortgerecht, dat in 1881 aan de Lingedijk werd gebouwd, was gereedgekomen, verviel de functie van de twee achtermolens aan de Schaikseweg. Deze molens stonden aan de oostzijde van die weg op een afstand van enige honderden meters van elkaar. De zuidelijke molen werd "voormolen" genoemd en de noordelijke "achtermolen". De huidige Energieweg loopt er tussen door. Omdat zij voor de polder van geen nut meer waren, besloot het polderbestuur de beide molens te verkopen. Zij werden in 1882 eigendom van I. van Nadort, korenmolenaar te Lexmond. De zuidelijke molen verkocht de laatste in hetzelfde jaar aan Cornelis den Besten, vermoedelijk de gewezen molenaar. Op één van de later gebouwde huizen tussen de beide molens ziet men nog de naam "De Achtermolen" als herinnering. Van de Nadort wilde van de achtermolen een korenmolen maken. Dat was niet geheel zonder risico’s, omdat er toen ter plaatse al een korenmolen aan de Westwal was en een graanmaalderij van de firma Kruijt. Bovendien stond er in Schoonrewoerd ook nog een korenmolen. Daar het recht van molendwang ter plaatse niet meer bestond, was hij vrij in het stichten van een molen. Aan de nadere kant zal het verbouwen van de molen wel niet zo kostbaar zijn geweest als het bouwen van een nieuwe.
Veranderingen aan de molen
Doordat hij de molen geheel nodig had voor zijn bedrijf, bouwde hij een woonhuis bij de molen. Voorts wendde hij zich tot het gemeentebestuur om in het bezit te komen van een hinderwetvergunning om de molen opnieuw in te richten. Hij kreeg deze vergunning op 28 juli 1882. De gemeente stelde als voorwaarde, dat hij afstand moest doen van het zogenaamde windrecht van de molen en dat deze binnen een maand na de datum van de vergunning in werking moest zijn gebracht.
De ronde stenen watermolen bleef na de verbouwing uitwendig onveranderd, behalve dat het scheprad en de wateras werden weggenomen. Natuurlijk onderging de molen inwendig meer wijzigingen. Volgens de beschrijving van de molenaar moesten het onderkamwiel en de schijfloop worden verwijderd en vervangen door een hoger om de koningspil geplaatst horizontaal werkend spoorwiel met twee schijflopen en steenspillen. Die werkten weer op twee koppels zestienders korenstenen om het meel te malen. Vervolgens moesten om de genoemde koningspil een koppel maalstenen van 1.15 en 0.92 diameter worden aangebracht. Op een hoogte van 1.60 meter boven de begane grond moest een halve meelzolder worden gelegd, waarop langs de meelpijpen het meel uit de molenstenen werd ontvangen om te worden "opgemud" of opgezakt. De capaciteit van de molen zal niet zo groot zijn geweest als die van een stellingmolen. De molen was immers een "grondzeiler", dus van een lager type, waarvan de wieken even boven de grond gingen bij het malen. Overigens had hij toch nog een middellijn van 8.70 meter, zijn oppervlakte volgens het kadaster was 58 vierkante meter.
Verkoop
Het ging de molenaar blijkbar niet voor de wind, want op 5 maart 1887 werd de molen met woonhuis, schuren en bouwland te Leerdam in het koffiehuis "Het Fortuin" bij Jan Jongh op verzoek van de eerste hypotheekhouder verkocht. Het geheel kwam in handen van Isaak klok, molenaar te Asperen en Gerrit van Vliet, timmerman te Schoonrewoerd. Voor zover bekend was de laatste tevens molenmaker en belast met het toezicht op de afbraak van andere molens in de omgeving van Leerdam. Zij deden alles in 1888 weer van de hand, waarbij de molen eigendom werd van Koenraad ’t Lam, timmerman te Leerdam. De molen werd tot woning verbouwd, welke verbouwing in hetzelfde jaar gereed kwam. In verband daarmee werd de belastbare opbrengst van de molen, die toen deze in gebruik was f 250,- per jaar bedroeg, gewijzigd in f 30,- jaarlijks. Of bij deze verbouwing de kap is verwijderd, is niet bekend. Wel is het interessant te weten, dat op de korenmolen van Schennink, die even buiten Culemborg staat, in 1888 een kap geplaatst, afkomstig van een Leerdamse watermolen, die een zodanige middellijn had, dat de romp moest worden verhoogd. Geheel zeker is dit niet aangezien de kap ook gestaan kan hebben op de andere Schaikse molen. Overigens waren deze molens vrijwel de enige, die voor deze operatie in aanmerking kwamen.
Bewoning
De molenaar Van de Nadort betrok later een ander huis aan de Schaikseweg, dicht bij Schoonrewoerd. In 1908 kreeg hij vergunning om daar een woonhuis te verbouwen. Na enige jaren in Gorcum te hebben verbleven, is hij daar gaan wonen. Nadat de molen in 1888 eigendom was geworden van Koenraad ’t Lam is deze nog enige keren van eigenaar en bewoners veranderd. Later kwam hij in het bezit van de familie De Jong, afkomstig uit Meerkerk. Na de laatste oorlog werd weer een andere familie van die naam eigenaar en bewoner. Die verbouwde de gewezen molen in de tegenwoordige vorm. Hoewel voor een leek misschien moeilijk herkenbaar, herinnert deze molen met het restant van de wipmolen in het Recht van ter Leede en de herstelde wipmolen "Ter Leede" ons nog aan de tijd, dat de watermolens in het landschap om Leerdam domineerden.
Bronnen: Gemeente-archief van Leerdam
Gelders Molenboek
B.J. de Groot
Jaargang 6 nr. 4