Inleiding
De naam boven dit stuk zal bij vele oudere lezers herinneringen wakker roepen aan hun jeugdjaren. De Leerdamse boot was zonder twijfel in de eerste decennia van de 20ste eeuw een begrip in de Leerdamse samenleving. Vele jaren nam de bootmaatschappij een belangrijke plaats in, zowel in het economische als in het sociale leven. Economisch, omdat zij voorzag in een grote behoefte aan transport- en reismogelijkheden naar plaatsen langs de Linge, Merwede, Noord en Nieuwe Maas.
Sociaal, omdat het Leerdamse verenigingsleven en de lagere scholen vele jaren gebruik maakten van de boten van de maatschappij voor het maken van uitstapjes of het bezoeken van de kersenboomgaarden. Het mag dan ook zeker de moeite waard geacht worden te trachten de geschiedenis van de maatschappij, die in 1934 na een bestaan van bijna zeventig jaar failliet ging, op schrift te stellen.
Het lag aanvankelijk in de bedoeling het werkstuk over het bestaan van deze maatschappij in zijn geheel te publiceren, maar vanwege de omvang is daarvan afgezien. De volledige tekst heeft een omvang van 46 pagina’s op A4-formaat waarin een vijftal foto’s is opgenomen.
Oprichting
De maatschappij werd op 13 februari 1865 opgericht. Initiatiefnemer was de heer Pieter Gerrit Schalij. Een zeer ondernemend man, houthandelaar, medeoprichter van de vennootschap Varsseveld en Comp., eigenaar van het toen nog particuliere bedrijf de gasfabriek, staande aan de Bergstraat, medeoprichter en bijna achttien jaar directeur van de Leerdamsche Stoombootmaatschappij.
Uit de notariële akte blijkt, dat de heer Schalij een groot aantal, toen in Leerdam wonende beter gesitueerden als aandeelhouder had gestrikt. Herman Ruben Vogelsang, burgemeester, Paulus Floris Pelgrim, glasfabrikant, Cornelis Dirk Grijns houthandelaar, Jan Verrips, landeigenaar, Meerten Johannes Rutger Hoolboom, advocaat, Gerrit Seret, geneesheer, Dirk Koppen, directeur van de gasfabriek, Johan Jakob Jeekel, koopman en Bernardus Duetz, koopman, behoorden tot degenen, die aandelen namen in de nieuwe onderneming.
Als eerste directeuren traden op P.G. Schalij, A. Quakernaat uit Spijk en H.R. Vogelsang. Na het overlijden in 1883 van de heer Schalij, trad aanvankelijk de heer H.T. Koppen op als nieuwe directeur. We vinden ook de namen van P>F. Pelgrim, Nico Donkersloot en Hendrik Anthonie (Hein voor zijn vrienden) van Ameijde, als directeuren vermeld.
Tot commissaris werden voor de eerste keer benoemd P.F. Pelgrim, J.C. Tukker en H.T. Koppen. Sinds 1916 traden als commissaris op P.M. Cochius, J.K.F. Blokhuis en H.G. Scherrer. Laatst genoemde is na de dood van H.SA. van Ameijde in 1934 nog enige tijd opgetreden als waarnemend directeur.
Doel
Het doel van de maatschappij was het in de vaart brengen van een stoomboot tot vervoer van passagiers, vee en goederen, die drie keer daags heen en weer naar Gorinchem en tussen gelegen plaatsen voer. Later werd daar nog aan toegevoegd: sleepdienst op de grote rivieren.
Al vrij snel werd vergunning verleend om op dinsdag, donderdag en vrijdag door te varen naar Rotterdam en ook tussen gelegen plaatsen aan te doen. In een later stadium komen er ook afvaarten vanaf Asperen.
Schepen
Begonnen werd met het stoomschip "Stad Leerdam", dat in 1879 vervangen werd door de stoomschepen "Leerdam I", "Asperen I" en "Asperen II". In 1916 en 1920 werden deze schepen vervangen door "Leerdam I", "Leerdam II" en "Leerdam III".
Vervoer- en plezierreizen
Vervoerd werden stukgoederen voor de plaatselijke bedrijven en middenstand. Voor de glasfabrieken weren enorme hoeveelheden glaswerk vervoerd naar Rotterdam en naar de brouwerijen en distilleerderijen in de randstad. Het vervoer van vee naar de grote veemarkten in Rotterdam nam eveneens een belangrijke plaats in.
In de zomermaanden werd vaak voor het maken van uitstapjes gebruik gemaakt van de schepen. Verenigingen als "Aurora", "De Bazuin", de geheelonthouders-zondagsschool "De Hoop der Toekomst", in de volksmond beter bekend als "de blauwe knoop", e arbeiderszangvereniging "Morgenrood" en anderen maakten met de schepen uitstapjes naar Hoek van Holland, Rhenen, Wageningen en Rotterdam. De boten werden voor die gelegenheid voorzien van banken en met vlaggetjes gepavoiseerd. In de kersentijd gingen vele lagere scholen per boot naar de kersenboomgaarden in Deil en Enspijk.
Er was een vrij comfortabele passagiersaccomodatie aan boord van de schepen. Van deze reisgelegenheid werd vooral op bepaalde dagen een druk gebruik gemaakt. Naar de Paasmarkt, de novemberkermis en op de dagen van de jaarlijkse loting voor de dienstplicht waren er speciale diensten op Gorinchem. De prijs bedroeg f 0,25 per persoon. Naar Rotterdam kon men mee voor de prijs van f 0,60.
Rampen
De maatschappij heeft in de loop der jaren met enkele rampen te maken gehad. Zo zonk op 10 februari 1913 de "Leerdam I" in de haven van Leerdam. De "Leerdam II" is op een zondagnacht in oktober 1918 gezonken, terwijl hij afgemeerd lag aan "De Hoop". In 1913 had de "Leerdam III" een ernstig ongeluk voor Dordrecht. Een sleepbootje werd overvaren en zonk onmiddellijk. Daarbij verdronk de machinist van de sleepboot.
De "Leerdam III" heeft eens een aanvaring gehad op de Merwede met een raderboot van Fop Smit, waarbij de "Leerdam III" is gezonken. Gelukkig waren daarbij geen persoonlijke ongelukken.
Personeel
De maatschappij heeft in de loop van haar bestaan heel wat mensen in dienst gehad. Bekende namen zijn de directeur H.A. van Ameijde; zijn kleinzoon Henk van Ameijde; de kapiteins Kees de Bruin, Willem van Berk, die beiden meer dan veertig dienstjaren hadden toen de maatschappij failliet ging; Teunis de Keizer, van wie een door de heer I. Reinders, de toenmalige gemeente-architect, geschilderd portret in het gemeentehuis hangt en Bas Sterk uit Volgelswerf. Verder Kees Versluis, de walbaas, Piet Visser Sr en zijn zoon Thijs Visser, beiden machinisten; evenals J. Verploegh, Jo Millenaar, Gerrit Pos, Teunis Bor, Freek van Zoelen, Jan Keppel, Joost ’t Lam, Hendrik Kruijt en nog vele anderen.
Zij hadden een afwisselend beroep, maar ook een hard, ruw leven, met zeer lange en onregelmatige diensten en slechte arbeidsvoorwaarden. Er was dan ook nogal wat verloop onder de bemanningen.
Concurrentie en neergang
De maatschappij heeft in haar bestaan te maken gehad met verschillende concurrerende ondernemingen. Aanvankelijk kon ze daar wel tegenop. Moeilijker werd het, nadat in 1883 de spoorlijn Dordrecht-Geldermalsen was geopend, waardoor een deel van het vrachtaanbod werd afgeroomd. In de loop der twintiger jaren begon een veel ernstiger concurrentie de kop op te steken in de vorm van het wegvervoer per auto. Er ontstonden bodediensten op Gorinchem, Rotterdam en Utrecht. De glasfabrieken schaften grote vrachtwagens aan en bezorgden een belangrijk deel van de productie zelf, waarbij ze soda mee terug brachten.
De devaluatie van het Engelse pond sterling in 1931, waardoor de export van glaswerk in één klap volledig kwam stil te liggen, betekende een grote teruggang voor de bedrijvigheid van de Stoombootmaatschappij. De landelijke economische crisis en de grote strop, die de maatschappij te dragen kreeg na de aanvaring van de "Leerdam III", leidden er toe, dat de maatschappij hollende achteruit ging.
Ondergang
Dit alles werd uiteindelijk de ondergang van het bedrijf. Begin april 1934 werden de diensten stopgezet. Het personeel werd met één week loon extra ontslagen. Op 3 mei is er een vergadering van aandeelhouders met voornaamste agendapunt: Voorstel tot liquidatie.
Op 3 oktober werd bij besluit van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht alle vennootschappen van de stoomboten failliet verklaard.
Op 10 oktober 1934 werden de drie schepen op verzoek van de heer Abraham Benjamins in het openbaar verkocht.
Einde 1936 eindigde het faillissement door de aanvaarding van de uitdelingslijst. Hiermee werd de Leerdamsche Stoombootmaatschappij verleden tijd.
De herinneringen aam een stukje vergane glorie in vroeger Leerdam bleven.
K. van Baren
Jaargang 1 nr 3